pagina-banner

Veelgestelde vragen PGS 15 (FAQ)

De PGS 15 bevat milieuregels voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Over de regels en de richtlijn zijn veel vragen. In deze FAQ PGS 15 vind je de antwoorden.









1. Vallen aanstekers en gaspatronen onder de werkingssfeer van PGS15?

Ja. Gasaanstekers en gaspatronen dienen als spuitbussen volgens PGS15 opgeslagen te worden. Er geldt een ondergrens van 50 kg tenzij opslag plaatsvindt met andere gevaarlijke stoffen.


2. Wat betekent berekenen ‘naar rato’ in tabel ‘te hanteren ondergrenzen en vrijstellingen’ van PGS15 wanneer er sprake is van verschillende stoffen waarvoor verschillende ondergrenzen gelden?

De ondergrens voor een combinatie van stoffen moet op 100% worden gezet.De ondergrens voor een combinatie van stoffen moet op 100% worden gezet.Voorbeelden:

• 0,5 liter CMR (Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch)-stof (=50% van de betreffende ondergrens)plus 5 liter klasse 3, verpakkingsgroep II (=20% van de betreffende ondergrens)plus 50 liter klasse 8 (=20% van de betreffende ondergrens)maakt een totaal van 90% waardoor PGS15 niet van toepassing is.

• Indien 1 liter CMR-stof wordt opgeslagen (100% van de betreffende ondergrens), dan heeft dat tot gevolg dat door toevoeging van elke andere hoeveelheid van een andere stofklasse de totale ondergrens van 100% wordt overschreden en PGS15 van toepassing is.


3. Waaraan kan ik herkennen of een verf onder de viscositeitsregel van het ADR valt, indien deze niet meer in de transportverpakking is opgeslagen?

Het Veiligheidsinformatieblad onder ‘Informatie m.b.t. het vervoer’ moet uitsluitsel geven of wel of niet aan voorschrift 2.2.3.1.5 (viscositeitsregel) van het ADR 2007 wordt voldaan en de verf dus wel of niet volgens PGS15 opgeslagen moet worden.


4. Wat zijn de ondergrenzen van PGS15 indien gevaarlijke stoffen in gelimiteerde hoeveelheden (LQ-verpakking) worden opgeslagen?

Voor gevaarlijke stoffen die in een originele en gesloten LQ-verpakking worden opgeslagen (zie hoofdstuk 3.4 van het ADR) geldt een aanvullende vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid van de in tabel “te hanteren ondergrenzen en vrijstellingen” genoemde ondergrenzen.

De dubbele hoeveelheid mag ook worden toegepast op gevaarlijke stoffen die vallen onder regime van vrijgestelde hoeveelheden (zie hoofdstuk 3.5 van het ADR).


5. Alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking worden in PGS15 niet beschouwd als stoffen vallend onder ADR-klasse 3. Geldt dit ook voor alcoholhoudende dranken met een vlampunt lager dan 61 graden Celsius?

Ja. Alle alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking zijn uitgezonderd van PGS15.


6. Valt de opslag van meer dan 400 kg bestrijdingsmiddelen altijd onder PGS15?

Bepalend is of een gewasbeschermingsmiddel of biocide (voorheen bestrijdingsmiddel) onder het ADR valt of een CMR (Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch)-stof is. Indien dat niet het geval is, dan kan een gewasbeschermingsmiddel of biocide als ‘aanverwante stof’ wel gezamenlijk met gevaarlijke stoffen worden opgeslagen.

Op opslag onder de 400 kg is de zorgplichtbepaling vanuit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van toepassing.

Meer over de ADR is te vinden op website Inspectie Leefomgeving en transport.


7. Valt een opslagtank met een inhoud van 10.000 liter gevaarlijke stoffen onder PGS15?

Bulktanks (die vast opgesteld zijn) vallen niet onder PGS15, want dit zijn geen verpakkingen. Hiervoor gelden andere PGS-richtlijnen (zie de website van de PGS beheerorganisatie).


8. Valt de opslag van spuitbussen met slagroom onder het regime van PGS15?

Nee. Slagroomspuitbussen horen niet in een PGS15 voorziening.

Indien spuitbussen en gaspatronen gezamenlijk met andere gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, worden de spuitbussen op grond van het ADR beoordeeld en is de inhoud niet relevant. Indien in een opslagvoorziening uitsluitend spuitbussen en gaspatronen worden opgeslagen, dan is de inhoud wel van belang voor de opslageisen.

Spuitbussen met slagroom worden vanuit het oogpunt van voedselkwaliteit niet gezamenlijk met gevaarlijke stoffen opgeslagen. Dus de opslag van spuitbussen met slagroom valt niet onder PGS15.


9. Klopt het dat de PGS15 niet voor winkelruimtes geldt?

De eisen voor winkels zijn vermeld in het activiteitenbesluit of in de betreffende omgevingsvergunning.


10. In tabel 3 van PGS15 wordt gesproken over ‘bijkomend gevaar’. Kan ik aan de verschillende ADR-etiketten zien wat het overheersende gevaar is en wat het bijkomende gevaar?

Nee, dit kunt u met de tabel van overheersende gevaren bepalen (ADR 2.1.3.10).

In zijn algemeenheid kunnen namelijk geen uitspraken gedaan worden welk gevaar (bijvoorbeeld: ontvlambaarheid, giftigheid of corrosiviteit) voor wat betreft een klasse-indeling prevaleert. Dit hangt bijvoorbeeld voor de giftigheid af van de blootstellingroute (via de huid, mond, of ademhaling) en voor zowel de giftige als corrosieve producten of het een vaste stof of een vloeistof is.


11. In PGS 15:2016 is gemotiveerd afwijken op alle voorschriften mogelijk gemaakt. Wat zijn hier voorbeelden van?

Bekijk de voorbeelden in deze uitgebreide toelichting.


12. Wat wordt onder ‘aanverwante stoffen’ verstaan in voorschrift 3.1.1 van PGS15?

Onder ‘aanverwante stoffen’ worden grondstoffen of chemicaliën verstaan, bijvoorbeeld stoffen die wel onder de Wet milieubeheer Hoofdstuk 9 maar niet onder het ADR vallen, of grond- of hulpstoffen voor productieprocessen. Het algemene uitgangspunt is dat deze stoffen gezamenlijk met gevaarlijke stoffen kunnen worden opgeslagen.

Let op: deze stoffen tellen wel mee voor wat betreft hoeveelheden, productopvangcapaciteit enzovoort. Bij het vaststellen van het beschermingsniveau moeten ook brandbaarheidsaspecten van deze stoffen mee worden beoordeeld.


13. Waarom is de zwakke plmaar kennis te hebben vanek (plofluik) niet meer opgenomen als eis in PGS15?

Maatgevend voor drukontlasting in gebouwen is de druk die opgebouwd kan worden en de wijze waarop deze kan ontsnappen. Als het gaat om opslag in emballage is het niet waarschijnlijk dat een explosie in de opslag leidt tot een drukgolf die groot genoeg is om de muren te beschadigen.


14. Gelden de ondergrenzen van PGS15 per inrichting of bijvoorbeeld per productieunit?

Afhankelijk van het karakter en de grootte van het bedrijf moet worden bepaald of de ondergrenzen per inrichting, per gebouw, per afdeling of anderszins gelden


15. Hoe zorg je voor natuurlijke ventilatie op de buitenlucht bij een inpandige bouwkundige opslagvoorziening conform PGS15 waarbij één zijde de buitengevel vormt?

Het inpandige ventilatiekanaal zal op de buitenlucht moeten uitmonden en mag nooit inpandig uitmonden, ook niet indien de inpandige opslagplaats zich binnen een veel groter gebouw of loods bevindt.

Of er ventilatie nodig is, moet worden onderzocht in het kader van het arbeids-omstandighedenbesluit.


16. Is in PGS15 een dag-werkvoorraad gelijk aan de voorraad voor het verzenden van producten?

Nee. De werkvoorraad is de hoeveelheid product die nodig is in een proces en dit betreft niet het eindproduct gereed voor verzending.


17. Mogen zogenaamde ‘lecture bottles’ (kleine gasflesjes geschikt voor meermalig gebruik) gezamenlijk met andere gevaarlijke stoffen in een brandveiligheidskast worden opgeslagen?

Nee. Volgens voorschrift 3.1.1 van de PGS15 moeten gasflessen gescheiden van overige gevaarlijke stoffen, in een aparte opslagvoorziening worden opgeslagen. Het gebruik van ‘lecture bottles’ vindt in het algemeen in een zuurkast plaats. Dit geldt ook voor de werkvoorraad.


18. Waarom is de verplichte veiligheidsadviseur volgens de ADR in het algemeen niet voldoende voor de invulling van de ‘vakbekwame persoon’ (voorschrift 3.17.1 van PGS15)?

De PGS15 schrijft voor dat, in tegenstelling tot de Regeling veiligheidsadviseur, tijdens werkzaamheden de vakbekwame persoon aanwezig dient te zijn binnen de inrichting. De PGS15 stelt ook dat de persoon vakbekwaamheid heeft op het omgaan met stoffen en het bestrijden van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Een veiligheidsadviseur hoeft niet altijd aanwezig te zijn en kan zelfs extern ingehuurd worden. Tevens hoeft een veiligheidsadviseur alleen maar kennis te hebben van de voorschriften van het ADR en het opslaan van gevaarlijke goederen is een andere activiteit dan het vervoer daarvan.

De vakbekwaamheid is niet vast gedefinieerd en is per situatie verschillend. In het RI&e van het bedrijf moet aandacht besteed worden welke kunde wordt verwacht.


19. Welke hoeveelheid gevaarlijke stoffen mag ik maximaal opslaan op een verdieping volgens PGS15?

PGS 15:2005
In de PGS 15:2005 wordt aangegeven dat in een inpandige opslagvoorziening op een verdieping niet meer dan 250 kg of liter gevaarlijke stoffen opgeslagen mag worden (vs 3.2.1.4). Op een verdieping van een gebouw mag per 200 m2 vloeroppervlakte van een werkruimte of een brandcompartiment met een WBDBO van 60 minuten naar een andere ruimte maximiaal 500 kg of liter gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen aanwezig zijn. Deze hoeveelheid dient dan wel verdeeld te worden in minimaal twee opslagvoorzieningen. (vs 3.2.1.5).

PGS 15:2011
In de PGS 15:2011 is in vs 3.2.10 gesteld dat op een verdieping maximaal 500 kg of liter gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen aanwezig mag zijn. Hierbij wordt geen onderscheid meer gemaakt in vloeroppervlak of brandcompartiment. Het totaal mag niet meer zijn dan 500 kg of liter. Er is geen maximale hoeveelheid per opslagvoorziening benoemd. Deze 500 kg of liter mag dus in 1 opslagvoorziening aanwezig zijn.

Door gemotiveerd afwijken in een omgevingsvergunning of bij bedrijven die vallen onder een Algemene maatregel van bestuur is het mogelijk om van deze 500 kg of liter af te wijken. Wel dienen aanvullende eisen te worden gesteld aan de brandwerende voorziening, detectie, aanwezigheid deskundig personeel etc. Tevens speelt bij de beoordeling van gemotiveerd afwijken ook de staat van het gebouw en de aanwezige brandcompartimenten een rol.

Indien er gebruik wordt gemaakt van brandveiligheidsopslagkasten is in vs 3.10.3 gesteld dat er op een verdieping maximaal twee brandveiligheidsopslagkasten per brandcompartiment aanwezig mogen zijn. Als er dus meerdere brandcompartimenten op een verdieping aanwezig zijn mogen er per brandcompartiment 2 brandveiligheidsopslagkasten aanwezig zijn. Hierdoor is het mogelijk om meer dan 500 liter op een verdieping aanwezig te hebben, indien de verdieping bestaat uit meerdere brandcompartimenten. Ook voor deze situatie bestaat de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken. Zie hiervoor de eisen in vs 3.10.4.

Wanneer alleen gevaarlijke stoffen klasse 8, verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen, dan gelden deze voorschriften niet.


20. Hoe moet ventilatie van een opslagvoorziening zijn geregeld en is dit afwijkend bij een brandveiligheidskast?

In PGS 15:2005 wordt in voorschrift 3.71 aangegeven dat de ventilatievoorschriften voor een brandveiligheisdsopslagkast niet van toepassing zijn. Een opslagvoorziening moet doelmatig zijn geventileerd op de buitenlucht met een ventilatievoud van 1.

Afhankelijk van de stoffen die opgeslagen worden in een brandveiligheidsopslagkast moet er toch geventileerd worden, de noodzaak om te ventileren komt vanuit het arbeidsomstandighedenbesluit.

In PGS 15:2011 wordt het ventilatievoorschrift in die strekking verwoord voorschrift 3.7.1; als er noodzaak is om vrijkomende dampen af te voeren uit een opslagvoorziening, moeten doeltreffende maatregelen worden genomen. Het bepalen van de noodzaak van ventilatie moet volgen uit de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). In de handleiding PGS 15 vindt u standpunt arbeidsinspectie. Bij opslag van gesloten verpakking is geen speciale ventilatie vereist, wel moet rekening worden gehouden met calamiteiten zoals lek steken door heftruck of vallen van verpakking uit stelling.

Dit geldt zowel voor bouwkundige opslagvoorzieningen als voor brandveiligheidskasten.


21. Waarom zijn de begrippen leeg gereinigd en leeg ongereinigd in PGS 15:2016 verduidelijkt in vergelijking met de vorige versie van PGS 15?

Dit heeft te maken met twee begrippen: legen en reinigen. Een verpakking is leeg wanneer de inhoud is verwijderd met behulp van de voor de desbetreffende stof en verpakking gebruikelijke technieken, bijv. gieten, pompen, zuigen, schudden, schrapen, of een combinatie van deze technieken. Dan is de verpakking leeg ongereinigd. De verpakking bevat alsnog de restanten van het product die bijvoorbeeld giftig of brandbaar kunnen zijn, en moet worden opgeslagen volgens de meeste voorschriften van PGS 15 (zie vs. 3.1.5).

Vervolgens kan de verpakking worden gereinigd. Deze bevat dan geen restanten van product meer. Dan is er geen sprake meer van een verpakte gevaarlijke stof, en voorwerpen (voormalige verpakkingen) zonder gevaarlijke stoffen daarin vallen niet onder PGS 15 en daarom zijn daar geen voorschriften noch een definitie voor opgenomen.


22. In tabel 4 van PGS15 wordt het begrip ‘brandbaarheid’ gebruikt. Hoe is dit begrip precies bedoeld? Is er een definitie beschikbaar?

In tabel 4 is het systeem vastgelegd waarmee het noodzakelijke beschermingsniveau in een opslagvoorziening voor meer dan 10 ton gevaarlijke stoffen kan worden bepaald. De basisgedachte is dat naarmate de opgeslagen stof gevaarlijker is, er een hoger beschermingsniveau is vereist.

De gevaarsaspecten worden bepaald door de gevarenindeling op basis van het ADR (dus: toxisch, bijtend, etc.) en door de brandbaarheid van de opgeslagen stof. Deze ‘brandbaarheid’ is niet beperkt tot de brandbaarheidklassen van het ADR. Ook brandbare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 100ºC of brandbare vaste stoffen die niet vanwege die eigenschap ADR-geklasseerd zijn, zijn bepalend voor het vaststellen van het beschermingsniveau.

In het Bevi (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen) is een definitie opgenomen voor het begrip ‘brandbare gevaarlijke stof’: “een stof die met lucht van normale samenstelling en druk onder vuurverschijnselen blijft reageren, nadat de bron die de ontsteking heeft veroorzaakt, is weggenomen”. Belangrijk is dat ook de brandbaarheid van de zogenaamde aanverwante stoffen moet worden beoordeeld en dat ook rekening wordt gehouden met bijkomende gevaren.

Tabel 4 is in eerste instantie belangrijk in de ontwerpfase van een opslagvoorziening. Vervolgens zal bij toezicht en handhaving met name bij de beschermingsniveaus 2 en 3 worden nagegaan of de juiste toegestane stoffen worden opgeslagen. Indien beschermingsniveau 1 is toegepast, zal bij toezicht en handhaving voor wat betreft de opgeslagen stoffen meer gekeken worden naar de geschiktheid van het automatische blussysteem voor de opgeslagen stoffen.


23. ‘Onbrandbaar’ wordt volgens de begrippenlijst van PGS15 (hoofdstuk 10) gedefinieerd als ‘onbrandbaar volgens NEN 6064’. In tabel 4 wordt gesproken van ‘onbrandbare stoffen’. Zijn ‘onbrandbare stoffen’ nu stoffen die aan NEN 6064 voldoen?

Nee. NEN 6064 is een norm bedoeld voor het bepalen van onbrandbaarheid van bouwmaterialen.


24. Moeten er eisen gesteld worden aan instanties of personen die het ontwerp van een brandbeveiligingsinstallatie of een uitgangspuntendocument maken?26. Wanneer mogen er nieuwe eisen gesteld worden aan een bestaande brandbeveiligingsinstallatie in een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen?

Het is aan de opdrachtgevers om kwaliteitseisen te stellen aan bijvoorbeeld de ingenieursbureaus die dit soort opdrachten uitvoeren. Dit is niet de taak van de overheid of het bevoegd gezag. Als hulpmiddel voor het opstellen van een uitgangspuntendocument (UPD) is een blauwdruk opgesteld. De minimale eisen voor het opstellen van een UPD zijn in de PGS15 opgenomen, PGS 15:2005 is daarop aangepast met een erratum op 11 december 2008. In de PGS 15:2011 is dit uitgewerkt in voorschriften 4.8.3 en 4.8.4.

De kwaliteitsborging vindt plaats op het UPD of het ontwerp geborgd door toetsing door een geaccrediteerde inspectie-A-instelling.


25. Is een inspectierapport voor een brandbeveiligingsinstallatie voor PGS 15 beschermingsniveau 1 met een ‘NEE-conclusie’ op ‘Conformiteit’ toegestaan?

Nee. Voor brandbeveiligingsinstallaties voor PGS 15-opslagloodsen met beschermingsniveau 1 is door sommige inspectie A-instellingen een inspectierapport afgegeven met een NEE-conclusie op conformiteit en JA-conclusie op doeltreffendheid. In dat geval is het niet duidelijk of de brandbeveiliging wel voldoet aan de gestelde eisen.

In een inspectierapport mag slechts één conclusie worden vermeld. Het uitgangspuntendocument (UPD) is “de norm” voor de brandbeveiligingsinstallatie en basis voor de keuring van de installatie door de inspectie-instelling. In het UPD kunnen tevens, indien noodzakelijk en acceptabel naar het oordeel van de inspectie A-instelling en het bevoegd gezag, afwijkingen van de gehanteerde normen voor een installatie zijn vastgelegd.

Bij een NEE op conformiteit moet het bedrijf het UPD aanpassen dan wel maatregelen nemen. Een aangepast UPD wordt vervolgens voor een beoordeling voorgelegd aan de inspectie A-instelling en vervolgens goedgekeurd door het bevoegd gezag. Vervolgens kan een goedkeurend inspectierapport door de inspectie A-instelling worden afgegeven.


26. Waar kan bedrijf of overheid terecht met vragen of klachten over een geaccrediteerde inspectie-A-instelling?

In eerste instantie kunt u met vragen en klachten terecht bij de geaccrediteerde inspectie-A-instelling zelf. Vragen over interpretaties kunnen bij het College van Deskundigen van het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid (CCV) neergelegd worden.

De Raad van Accreditatie behandelt klachten over door de RvA geaccrediteerde inspectie-instellingen. Klachten over de termijn van de klachtenafhandeling van de Raad van Accreditatie moeten ook ingediend worden bij de Raad van Accreditatie.


27. Is het mogelijk dat de ene geaccrediteerde inspectie-A-instelling een ander oordeel geeft dan een andere geaccrediteerde inspectie-A-instelling?

Geaccrediteerde inspectie-A-instellingen met dezelfde scope zouden in dezelfde gevallen tot eenzelfde oordeel moeten komen. Er behoort dus geen verschil te zijn tussen deze inspectie-instellingen. Mede om die reden schrijft de accreditatienorm NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor dat inspectie-instellingen harmonisatieoverleg moeten voeren.

Omdat inspecteren mensenwerk is, blijft het mogelijk dat, binnen een zekere marge, er een zeker verschil in oordeel kan ontstaan.


28. Is het de bedoeling dat het bevoegd gezag een door een geaccrediteerde inspectie-A-instelling opgesteld inspectieplan goedkeurt?

Nee, een inspectieplan is een intern document van een inspectie-instelling. Het is niet aan een bevoegd gezag om een inspectieplan te beoordelen of te keuren. Daarentegen moet een bevoegd gezag wel een oordeel geven over een uitgangspuntendocument (UPD). Een uitgangspuntendocument is dus niet hetzelfde als een inspectieplan.

Het inspectieplan is een intern document voor de inspectie-instelling, nodig om (interne) verantwoording te kunnen afleggen over wat de inspectie inhoudt. En daarmee dus nodig voor de transparantie bij de werkzaamheden van de inspectie-instelling en daarmee alleen voor haar accreditatie-eisen.

Een bevoegd gezag moet overigens conform het gestelde in de PGS 15 wel altijd het uitgangspuntendocument beoordelen en goedkeuren. Een inspectieplan is niet hetzelfde als een uitgangspuntendocument. Dit uitgangspuntendocument mag niet worden opgesteld door een geaccrediteerde inspectie-A-instelling. Dat zou in strijd zijn met de accreditatie-eisen. De Raad voor Accreditatie houdt hierop toezicht.


29. Is het mogelijk voor een inspectie-instelling om een brandbeveiligingsinstallatie goed te keuren zonder dat een certificaat kan worden verstrekt?

Nee, In PGS 15 is voorgeschreven dat een goedkeurend inspectierapport of een certificaat beschikbaar moet zijn. De goedkeuring moet voldoen aan de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten. Experts zijn van mening dat het voor het bevoegd gezag van belang is om altijd over het goedkeurende inspectierapport te beschikken omdat dat inzicht geeft in de feitelijke stand van zaken en mogelijke actiepunten voor het bevoegd gezag.


30. Waar moet de inspectiefrequentie worden vastgelegd?

De inspectiefrequentie moet als voorschrift in de omgevingsvergunning zijn opgenomen. De inspectiefrequentie is gebaseerd op het Uitgangspuntendocument (UPD). Als het UPD deel uitmaakt van de omgevingsvergunning kan de inspectiefrequentie van de brandbeveiligingsinstallatie via het UPD worden vastgelegd.

U vindt meer in:

PGS15:2005 voorschrift 4.8.2.3
PGS15:2011 voorschrift 4.8.6


31. Wie bepaalt de inspectiefrequentie voor een brandbeveiligingsinstallatie?

Het bevoegd gezag bepaalt in de omgevingsvergunning de inspectiefrequentie, deze kan overgenomen zijn uit het Uitgangspuntendocument (UPD). In de PGS 15 wordt ervan uitgegaan dat er een jaarlijkse inspectie door een geaccrediteerde inspectie-A-instelling plaats vindt.

Het Uitgangspuntendocument kan een andere inspectiefrequentie beschrijven op grond van gehanteerde ontwerpnorm voor de brandbeveiligingsinstallatie. In de ontwerpnormen worden eigenlijk niet of nauwelijks inspectiefrequenties vermeld.
Andere partijen

Mogelijk dat een andere eisende partij, bijvoorbeeld een verzekeraar, ook eisen stelt aan de brandbeveiligingsinstallatie. Dat is een zaak tussen bedrijf en de andere partij.


32. Hoe moet worden omgegaan met de recente ontwikkelingen in Nederland (toenemende stapelhoogte, plastic verpakkingen, krimpfolies)?

In het voorbereidingsproces om tot een acceptabel brandbeveiligingsconcept te komen, moeten al dit soort aspecten worden meegenomen. Uit de voorbereidende risico-afweging zal blijken of een dergelijke opslagmethodiek is te beveiligen.


33. In PGS15 wordt een beschermend dak bij een gasflessenopslag niet meer verplicht gesteld. Waarom niet?

Risico’s van gasflessen worden hoofdzakelijk bepaald door hitte aanstraling. Weersinvloeden vormen een verwaarloosbaar risico. Een beschermend afdak is niet verplicht. Er wordt wel aangegeven dat een eventueel dak van onbrandbaar materiaal moet zijn gemaakt.

Voor een ander doel is wel mogelijk dat er een dak wordt vereist, wanneer gasflessen opslag tegen een gevel aanstaat


34. Mogen zuurstofflessen en acetyleenflessen naast elkaar worden opgeslagen zonder scheiding daartussen (scheidingsconstructie of afstand)?

Ja. Normaal gesproken mogen stoffen die een gevaarlijk mengsel opleveren niet bij elkaar opgeslagen worden. Bij gasflessen is een uitzondering gemaakt in hoofdstuk 6.

Het achterliggende idee is dat de kans dat twee gasflessen tegelijkertijd zullen falen, de gassen met elkaar vermengen en worden ontstoken, verwaarloosbaar is. Het is echter van belang dat de gassen per gelijksoortige groep worden opgeslagen (dezelfde kleurencode) waardoor het omwisselen van gassen wordt voorkomen.


35. Gasflessen worden regelmatig in brandwerende opslagkasten opgeslagen. Voorschrift 6.2.17 van PGS15 geeft echter aan dat van een inpandige opslagvoorziening ten minste één wand een buitenmuur moet zijn waarin zich ten minste één deur bevindt. Voor een gasflessenopslagkast is deze eis onmogelijk. Betekent dit nu dat deze kasten niet zijn toegestaan?

Bij de toepassing van PGS 15:2005 is er voor een beoordeling van een brandveiligheidskast voor gasflessen het gelijkwaardigheidsbeginsel van toepassing (paragraaf 1.8). Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien de brandveiligheidskast aan de norm EN 14470-2 voldoet. In die gevallen is het ook noodzakelijk om de locatie van de gasflessen duidelijk kenbaar te maken aan de hulpdiensten; één en ander conform voorschrift 3.18.

Bij de actualisatie van PGS 15 is een aparte beoordeling niet meer nodig en is in PGS 15:2011 een paragraaf opgenomen over de opslag van gasflessen in de brandveiligheidskasten.


36. Vallen gasflessen die zijn aangesloten op een verzamelleiding onder PGS 15?

PGS 15:2005 Nee. De PGS15 geldt alleen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en verpakte CMR stoffen. Gasflessen die zijn aangesloten op een verzamelleiding vallen niet onder de scoop van de PGS. Het grote verschil met de opslag van gasflessen, is dat gasflessen die zijn aangesloten op een verzamelleiding in gebruik zijn.

PGS 15:2011 Ja, bij actualisatie van PGS 15 is dit opgenomen in voorschrift 6.2.11. Gasflessen verbonden aan vaste leidingen aan een installatie mogen in combinatie met opslag worden toegepast.

Achtergrond van actualisatie

Een strikte uitleg van de voorschriften 3.1.4 PGS15:2005 (‘geen aftapwerkzaamheden toegestaan in een opslagvoorziening’) en 6.2.10 PGS15:2005 (‘geen andere stoffen opslaan’), zou betekenen dat het niet is toegestaan in een opslagvoorziening ook gasflessen met aansluiting op een (verzamel)leiding te plaatsen. Het gevolg hiervan kan dan zijn dat deze aangesloten gasflessen onbeschermd (in open ruimte) zouden komen te staan, hetgeen minder gewenst is.

In situaties waar, in verband met beperkt beschikbare ruimte op een bedrijfsterrein, wordt gekozen om de opslag van ‘losse’ gasflessen en gasflessen aangesloten op een verzamelleiding te combineren in een opslagvoorziening, moet echter wel steeds worden nagegaan of deze situatie veiligheidstechnisch gezien acceptabel is. De opslag moet in ieder geval voldoen aan de eisen van hoofdstuk 6. Het is in eerste instantie aan het bedrijf om aan te tonen of deze wijze van opslag verantwoord is. Het mag duidelijk zijn dat:

• De doorvoering van de leiding(en) mag niet leiden tot een vermindering van de WBDBO van de opslagvoorziening;
• De leiding(en) inclusief afsluiter(s) moeten zijn aangelegd door een deskundige installateur (ten minste aantoonbare ervaring met het aanleggen van gasleidingen);
• Leidingen(en) moeten tegen aanrijden of andere situaties zijn beschermd tegen beschadiging;
• De afsluiter(s) moet zodanig zijn geplaatst dat deze bij een calamiteit snel kan/kunnen worden gesloten.


37. Wanneer mogen er nieuwe eisen gesteld worden aan een bestaande brandbeveiligingsinstallatie in een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen?

Om te kunnen eisen dat een brandbeveiligingsinstallatie wordt aangepast zal eerst de omgevingsvergunning moeten worden aangepast. Dit kan verlopen via een ambtshalve wijziging op grond van artikel 2.31 Wabo waartegen bezwaar en beroep openstaat. Aanleiding voor zo’n ambtshalve wijziging kan zijn de conclusies van de vijfjaarlijkse beoordeling op actualiteit door een inspectie-instelling van het opgestelde uitgangspuntendocument (UPD), zoals vermeld in PGS 15.

Pas als bevoegd gezag van mening is dat op basis van de uitkomsten van de beoordeling van het UPD door een Inspectie-instelling het UPD moet worden aangepast, en deze eis tot aanpassing van het UPD ook middels een afgeronde procedure tot ambtshalve wijziging onderdeel uitmaakt van de vergunning moet een nieuw of aangepast UPD worden opgesteld. Pas na beoordeling van dit UPD door een geaccrediteerde inspectie-A-instelling en goedkeuring door het bevoegd gezag, kan het bevoegd gezag eisen dat de brandbeveiligingsinstallatie wordt aangepast conform het nieuwe UPD.


Ja, ik wil graag meer informatie »